De Geschiedenis van Kevelaer
Kevelaer door de jaren heen
Ontstaan (1641-1642)
De oorsprong van Kevelaer als bedevaartsoord gaat terug tot 1641. In dat jaar kreeg de handelaar Hendrick Busman, afkomstig uit de regio, meerdere malen een visioen waarin hij een stem hoorde die hem opdroeg op een specifieke plek een kapel te bouwen. Aanvankelijk aarzelde hij, maar na herhaalde ervaringen besloot hij gehoor te geven aan deze oproep.
Samen met zijn vrouw Mechel Busman vond hij een klein prentje van de Heilige Maagd Maria, dat sterk leek op een afbeelding van Onze-Lieve-Vrouw van Luxemburg. Dit prentje werd in 1642 in een eenvoudige kapel geplaatst, precies op de plek die in het visioen was aangewezen.
Groei als bedevaartsoord (17e–18e eeuw)
Al snel na de plaatsing van het Mariabeeld begonnen gelovigen Kevelaer te bezoeken. Verhalen over gebedsverhoringen en wonderen verspreidden zich, wat leidde tot een sterke toename van pelgrims. Kevelaer groeide uit tot een regionaal en later internationaal bedevaartsoord.
In de loop van de 17e en 18e eeuw werden grotere kerken en kapellen gebouwd om de groeiende stroom bezoekers te ontvangen. De oorspronkelijke kapel, bekend als de Genadekapel (Gnadenkapelle), bleef het centrum van verering.
19e eeuw: herstel en expansie
Tijdens de Franse Revolutie en de daaropvolgende Napoleontische tijd werd het religieuze leven in veel delen van Europa onderdrukt. Ook Kevelaer ondervond beperkingen, maar het bedevaartsoord bleef bestaan.
In de 19e eeuw, na deze periode van onrust, kende Kevelaer een nieuwe bloeiperiode. Grote kerken zoals de Mariabasiliek werden gebouwd, en de infrastructuur werd uitgebreid om de toenemende pelgrimsstromen te ondersteunen.
20e eeuw tot heden
In de 20e eeuw bleef Kevelaer een belangrijk centrum van katholieke devotie, ondanks de verstoringen van de twee wereldoorlogen. Tegenwoordig bezoeken jaarlijks honderdduizenden pelgrims het stadje, vooral uit Duitsland en Nederland.
Kevelaer staat bekend om zijn processies, gebedsdiensten en de centrale rol van Maria-verering. Het is uitgegroeid tot een plek van bezinning, geloof en traditie.
Het verhaal van Hendrick Busman
“In de Kerstperiode van 1641 hoorde de handelsreiziger Hendrick Busman driemaal een mysterieuze oproep: „Op deze plek moet je voor mij een kapelletje bouwen!”. Busman was op weg van Weeze naar Geldern en bad juist bij het hagelkruis dat op een kruising in de nabijheid van het gehucht Kevelaer stond.
Een Synode was in 1647 bijeengeroepen om het gebeuren te Kevelaer te onderzoeken. De Synode verleende kerkelijke erkenning met een voor vandaag de dag ongewoonlijke snelheid:
„Ik ben met Mechel Schrouse, die ongeveer 50 jaren oud is, getrouwd. Ik drijf met haar een kleine handel en moet om die reden, vaak hier- en daarheen reizen. Zo reisde ik in rond de kerstdagen in het jaar des Heren 1641 van Weeze over een weg die nabij Kevelaer is gelegen. Daar stond een hagelkruis.
Bij dat kruis hoorde ik een stem die mij zei: „Op deze plaats zult gij voor mij een kapelleken bouwen!”. Ik heb me erover verwonderd en alle kanten opgekeken, maar ik zag niemand.
Ik ben vervolgens verder gegaan en de stem die ik voor de eerste keer hoorde genegeerd.
Zeven of acht dagen later reisde ik nogmaals over deze route en hoorde bij dezelfde plek voor de tweede keer dezelfde stem met dezelfde woorden.
Ik hoorde de woorden die uit de richting van het hagelkruis kwamen, luid en duidelijk.
Later gebeurde, zo’n maand voor Pinksteren, het dat mijn genoemde huisvrouw Mechel in een nachtelijke verschijning bij een groot stralend licht een voorstelling van een kapelletje zag met daarin een afbeelding, welke ze enige tijd eerder in de handen van twee soldaten had gezien.
Deze soldaten hadden een papieren prentje bij zich van Onze Lieve Vrouw van Luxemburg (…). De soldaten probeerden dit prentje of enkele anderen aan Mechel (…) te verkopen.
Het prentje werd aanvankelijk in Geldern bewaard en vereerd. Hendrick Busman vertelt over het begin van de bedevaart: „Vervolgens hebben de Kapucijnerpaters en de parochie gevraagd het prentje in processie naar Kevelaer te brengen. Dat is om verschillende redenen niet gebeurd, maar de pastoor van Kevelaer heeft op de laatste zaterdagavond in mei 1642, het prentje opgehaald en het de andere dag in het heilige huisje geplaatst. Dit heilige huisje was door mij gebouwd naar het voorbeeld dat mijn vrouw in een visioen gezien had.
Noch diezelfde dag kwam een grote groep pelgrims op het kapelletje af uit Geldern en andere dorpen. Ook gebeurden er enkele wonderen, die opgetekend zijn.”